Fokreglement voor de

Wetterhoun

2 - Rasspecifiek deel

 

 

Artikel 7 - Welzijns- en fokkerijeisen

 

7.1     Beide ouderdieren dienen over een goede gezondheid te beschikken, zowel lichamelijk als mentaal.

 

7.2     Beide ouderdieren mogen niet met elkaar in relatie te staan als (groot)ouder-(klein)kind of als (half)broer-(half)zuster.

 

7.3     De combinatie van dezelfde reu en teef (dezelfde oudercombinatie) is slechts 1 maal toegestaan.

 

7.4     De teef mag ten tijde van de dekking, niet jonger zijn dan 18 maanden (1,5 jaar). De teef mag niet meer worden gedekt na de dag waarop zij 108 maanden (9 jaar) oud wordt.

 

7.5     De dekking dient een natuurlijk verloop te hebben. Kunstmatige inseminatie is slechts toegestaan na verkregen toestemming op basis van een gemotiveerd verzoek. Dit verzoek dient minimaal n maand vr de voorgenomen dekking bij het bureau van de Raad te worden ingediend.

 

7.6     De minimale leeftijd van de reu, ten tijde van de dekking, dient tenminste 18 maanden (1,5 jaar) te bedragen.

 

7.7     De teef mag bij de dekking voor het eerste nest niet ouder zijn dan 60 maanden (5 jaar). De geboorte dient een natuurlijk verloop te hebben. Indien de geboorte van het nest voor de 2de maal operatief, door middel van een keizersnede (sectio caesarea), heeft plaatsgevonden mag de teef niet verder meer voor de fokkerij worden gebruikt.

 

7.8     Een teef mag slechts twee nesten per vierentwintig maanden voortbrengen met dien verstande, dat de periode tussen de laatste werpdatum en de daaropvolgende dekking tenminste acht maanden moet bedragen. Een teef mag gedurende haar leven maximaal 3 nesten krijgen.

 

7.9     Een reu mag maximaal 2 nesten per kalenderjaar voortbrengen met een totaal maximum van 4 nesten gedurende zijn leven.

 

7.10   De fokker zal zorg dragen voor een deugdelijke ontworming en inenting van de pups, volgens gangbare veterinaire inzichten, en voor een volledig door de dierenarts ingevuld vaccinatieboekje. De pups mogen niet eerder worden afgeleverd dan op de leeftijd van 7  weken.

 

 

Artikel 8 - Rasspecifieke gezondheidseisen

 

8.1     De eigenaren van de ouderdieren dienen ten behoeve van een Stamboomcertificaat deze ouderdieren te onderwerpen aan hierna te benoemen onderzoek op erfelijke afwijking(en). Het onderzoek dient te worden uitgevoerd door een door de Raad daartoe aangewezen instantie of dierenarts en zal aan de hand van een daartoe met de betreffende instantie of dierenarts overeengekomen onderzoeksprotocol worden uitgevoerd. Het onderzoeksrapport dient vr of uiterlijk op de dag van de dekking te zijn afgegeven. De onderzoeksuitslag wordt naar de rasvereniging verzonden.

 

8.1.a  Beide ouderdieren dienen te zijn onderzocht op het voorkomen van heupdysplasie. Dit onderzoek mag uitsluitend geschieden vanaf de dag dat de desbetreffende hond 12 maanden oud is.

          Voor de fokkerij gelden de navolgende regels:

          a.    tussen honden met de FCI-beoordeling A, B, C of D (ofwel HD-, HDtc, HD of HD+) mag elke willekeurige oudercombinatie worden gevormd,

          b.      honden met de FCI-beoordeling E (ofwel HD++) mogen niet voor de fokkerij worden gebruikt,

          c.    waar gebruik wordt gemaakt van in het buitenland geregistreerde reuen, gelden de regels van het land van herkomst.

 

8.2     Indien de eigenaar zich niet kan verenigen met het afgegeven onderzoeksrapport kan hij een second opinion laten uitvoeren conform het door de Raad vastgestelde algemeen onderzoeksreglement en het betreffende onderzoeksprotocol, waarin is voorzien in de mogelijkheid van bezwaar en beroep.

 

8.3     Voorts mag met honden die lijden aan Elleboogdysplasie, Entropion, Varkensbek of n- of tweezijdige Cryptorchidie niet worden gefokt.

 

 

Artikel 9 Gedragseisen en werktesten

 

9.1     Beide ouderdieren moeten voldoen aan de karaktereisen en het gedrag zoals in de rasstandaard is aangegeven, of indien de rasstandaard geen (actuele) beschrijving van het karakter en/of gedrag bevat, zoals redelijkerwijs voor het betreffende ras mag worden verwacht.

 

 

Artikel 10 - Exterieureisen

 

10.1   Beide ouderdieren dienen in het algemeen aan de voor het betreffende ras geldende rasstandaard te voldoen.

 

10.2.  Indien bij het ouderdier sprake is van een zodanige afwijking van de rasstandaard, dat niet aan artikel 10.1 kan worden voldaan, kan door de fokker om een aankeuring door een gekwalificeerde keurmeester worden verzocht. Het verzoek dient te worden gericht aan het bestuur van de rasvereniging, welke zorg zal dragen voor een aankeuring door een door de Raad gekwalificeerde keurmeester.